Op vrijdag 5 juni 2026 vond in de Stadsgehoorzaal in Kampen de derde editie van de Nicolaaslezing plaats. Met 150 bezoekers was de zaal volledig uitverkocht. Hoofdspreker was de Vlaamse klinisch psycholoog en emeritus-hoogleraar Manu Keirse, die onder de titel “Helpen bij verlies en verdriet: een opdracht voor elke burger” inging op wat mensen in hun directe omgeving kunnen betekenen voor wie rouwt. Na de pauze volgde een theologische en maatschappelijke reflectie door prof. dr. Leon van den Broeke (Theologische Universiteit Utrecht).
Keirse maakte vanaf de eerste minuten duidelijk dat hulp bij verlies geen taak is die je kunt overlaten aan rouwbegeleiders of geestelijk verzorgers. Aan de hand van het voorbeeld van Veerle liet hij zien hoe concreet die hulp kan zijn, ook voor mensen die weten dat ze gaan sterven en (jonge) kinderen achterlaten: een herinneringsdoos maken, een bandje inspreken, een tekst op de achterkant van een foto schrijven, of simpelweg opschrijven dat je van je partner of kinderen houdt. Sterven noemde hij een verhuizing “niet weg uit de wereld, maar naar de binnenkant van het hart van wie achterblijft”.
Bijzondere aandacht ging naar schuldgevoel, dat volgens Keirse niet gezien moet worden als een last die weggenomen moet worden, maar als een teken van liefde en genegenheid. Hij onderscheidde twee stijlen van rouwen: “instrumenteel en intuïtief” en benadrukte dat die elkaar kunnen aanvullen in plaats van tegenspreken. Wie wil helpen, hoeft volgens hem niet de juiste woorden te hebben; de vraag is eerder wat je kunt zeggen, schrijven of doen, en vooral: dat je begaan blijft. Een cijfer dat bleef hangen: na het overlijden van een naaste bedraagt het gemiddelde ziekteverzuim 224 dagen.
Na de pauze plaatste Van den Broeke, hoogleraar Rechtstheologie en Kerkrecht, het thema in een breder kader: hoe Nederlanders, en Kampenaren in het bijzonder, omgaan met de bestemming van het lichaam na de dood. Met een verwijzing naar Perikles “dat de beschaving van een volk valt af te lezen aan de manier waarop het zijn doden bezorgt” liet hij zien dat de vraag van vandaag in essentie dezelfde is als 2.500 jaar geleden.
Van den Broeke schetste hoe het aantal keuzemogelijkheden rond uitvaart en rouwrituelen de afgelopen decennia enorm is toegenomen, mede doordat steeds minder mensen aangesloten zijn bij een geloofsgemeenschap. Die vrijheid is winst, maar kent ook een paradox: net in de dagen dat nabestaanden het kwetsbaarst zijn, moeten er de meeste keuzes gemaakt worden, wat kan leiden tot keuzestress en een vlucht in de regelmodus “waardoor er weinig ruimte overblijft om het verdriet daadwerkelijk te voelen”.
Hij ging ook in op het wetsvoorstel over de bestemming van dode lichamen dat momenteel bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken in voorbereiding is, met onder meer nieuwe mogelijkheden als alkalische hydrolyse, een kortere minimumtermijn voor begraving voor joodse en islamitische gemeenschappen, en gezamenlijk begraven van bijvoorbeeld partners of een ouder met kind. Zijn slotvraag aan de zaal was persoonlijk: wat zou je willen dat er op je grafsteen komt te staan, en waarom wachten we vaak tot na iemands dood met het uitspreken van waardering?
Wat de middag volgens betrokkenen bijzonder maakte, was de interactie met het publiek. Tijdens het zaalgesprek na de twee lezingen deelden meerdere bezoekers eigen verlieservaringen, die aansloten op zowel de praktische voorbeelden van Keirse als de bredere reflectie van Van den Broeke. Na afloop bleven veel bezoekers napraten; een teken dat het onderwerp, hoe gevoelig ook, op deze manier behoefte aan gesprek losmaakte in plaats van het uit de weg te gaan.
De Nicolaaslezing is een initiatief van de Gemeente Kampen en de Theologische Universiteit Utrecht, in samenwerking met Kampen Partners. Na de edities over maatschappelijke betrokkenheid (2024) en duurzame gemeenschappen (2025) was dit de derde keer dat de lezing plaatsvond, en wederom trok deze een breed en betrokken publiek naar de Stadsgehoorzaal. Met deze editie liet de Nicolaaslezing opnieuw zien dat ruimte voor de grote, soms ongemakkelijke vragen van het leven aansluit op een levende behoefte in Kampen en de regio.