Het kraakt, het wiegt, het ruikt naar pek, nat hout en gezouten vis. Je ogen prikken van het touwwerk, je handen zijn eeltig van het pompen. Welkom aan boord van een kogge, ergens op de Noordzee, rond het jaar 1400.
Het leven aan boord was niet voor watjes. De bemanning bestond uit zo’n 15 tot 20 mannen – vaak afkomstig uit havensteden als Kampen, Harderwijk of Lübeck. Ze deelden een kleine ruimte onder dek, sliepen op strozakken, aten uit houten kommen en dronken bier in plaats van water. Water bedierf namelijk snel, bier niet.
De dag begon vroeg. Er moest worden gepompt – want kogges lekten altijd een beetje – en gezeild, gestuurd, geladen en gelost. Touwen werden gespannen, zeilen gehesen, lading vastgezet. En als het stormde? Dan werd het menens. De hoge boorden boden bescherming tegen de golven, maar op een woelige Noordzee kon het schip alsnog hevig slingeren.
Wat voer er allemaal mee? Denk aan vaten haring, balen wol, kisten met tin, zakken graan of rollen linnen. Soms ook paarden. En altijd gereedschap, wapens en natuurlijk… pek – om de naden waterdicht te houden.
’s Nachts lag het schip vaak stil in een veilige baai of haven. Dan kookte men op een vuurhaard of, zoals bij de IJsselkogge, op een bakstenen oven aan boord – een zeldzaam en bijzonder detail dat archeologen pas ontdekten na de berging bij Kampen.
De sfeer aan boord varieerde. Soms gezellig, met verhalen, liederen of dobbelspel. Maar ook spanning, zeker als er piraten dreigden. Dan stonden er boogschutters paraat op het achterdek – want de kogge kon zich prima verdedigen.
De mannen aan boord waren vaklui én avonturiers. Ze trotseerden weer en wind om de Hanzehandel mogelijk te maken. Zonder hun inzet was er geen bloei, geen verbinding, geen welvaart. De kogge was hun thuis, hun werkplek en hun wereld tegelijk.
In de volgende blog ontdek je hoe de kogge niet alleen een vrachtschip was, maar ook een strijdvaartuig. Lees deel 5: “Storm, strijd en Störtebeker – de kogge in oorlogstijd.”